onvermurwbaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ver·murw·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onvermurwbaar onvermurwbaarder onvermurwbaarst
verbogen onvermurwbare onvermurwbaardere onvermurwbaarste
partitief onvermurwbaars onvermurwbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

onvermurwbaar

  1. niet toegevend
    • De strenge docent was onvermurwbaar en wilde niet over zijn hart strijken: de onvoldoende bleef een onvoldoende. 
Antoniemen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.