occuper
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| occuper |
occupais |
occupé |
| eerste groep | volledig | |
occuper
- overgankelijk bezighouden [1]; de aandacht vasthouden
- overgankelijk iets te doen geven; bezighouden [2]
- wederkerend s'~ à: bezig zijn met iets; bezig zijn; zich bezighouden met
- wederkerend s'~ de: zich bemoeien met