bemoeien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·moei·en
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zich mengen in’ voor het eerst aangetroffen in 1637 [1]
  • afgeleid van moeien met het voorvoegsel be- [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bemoeien
bemoeide
bemoeid
zwak -d volledig

Werkwoord

bemoeien

  1. wederkerend zich ~ met: zich inlaten met zaken waar men niets mee te maken heeft
    • Hij bemoeit zich er weer eens mee. 
    • Wij mogen ons niet bemoeien met dingen, die ons niet aangaan.' [3] 
  2. wederkerend zich ~ met: zich bekommeren om iemand
    • Ik bemoei me met niemand. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. etymologiebank.nl
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 34