obey
Uiterlijk
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to obey |
| he/she/it | obeys |
| verleden tijd | obeyed |
| voltooid deelwoord |
obeyed |
| onvoltooid deelwoord |
obeying |
| gebiedende wijs | obey |
obey
- gehoorzamen
- «Children do not always obey their parents.»
- Kinderen gehoorzamen hun ouders niet altijd.
- «Children do not always obey their parents.»
- opvolgen (van een opdracht of bevel)
- «The order given was obeyed immediately.»
- Het gegeven bevel werd onmiddellijk opgevolgd.
- «The order given was obeyed immediately.»