opvolgen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
opvolgen opvolgend
opvolging opgevolgd
Uitspraak
Woordafbreking
  • op·vol·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opvolgen
volgde op
opgevolgd
zwak -d volledig

Werkwoord

opvolgen

  1. overgankelijk uitvoeren wat een ander aangeraden of bevolen heeft
    • Hij besloot de goede raad niet op te volgen. 
  2. overgankelijk iemands functie overnemen
    • Het is niet duidelijk door wie deze koning opgevolgd werd, omdat het kleitablet beschadigd is. 
  3. overgankelijk zorgen voor de verdere afhandeling
    • Mijn assistent zal uw verzoek verder opvolgen. 
Opmerkingen
  • Betekenis 3 "zorgen voor de verdere afhandeling" is vooral gangbaar in Vlaanderen. [2]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 27 januari 2021 Weblink bron “Opvolgen (een dossier -)” op taaladvies.net
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be