nufje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nuf·je

Zelfstandig naamwoord

nufje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord nuf

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders;
24 % van de Vlamingen.