minuit
Uiterlijk
- mi·nuit
- van Oudfrans mienuit, oorspronkelijk een vrouwelijk woord, maar sinds de zestiende eeuw geattesteerd in het mannelijk. Kan gezien worden als nuit met het voorvoegsel mi- [1]
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| minuit | le minuit | minuits | les minuits |
minuit m
- middernacht
- «Et vers minuit un refrain qui s'enfuit.»
- En om middernacht een refrein dat wegloopt.[2]
- «Et vers minuit un refrain qui s'enfuit.»
- ↑ minuit (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
. - ↑ Pigalle, Georges Ulmer, 1946