meed
Uiterlijk
- meed
| vervoeging van |
|---|
| mijden |
meed
- enkelvoud verleden tijd van mijden
- Ik meed.
- Jij meed.
- Hij, zij, het meed.
- Ik meed.
- Het woord meed staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "meed" herkend door:
| 54 % | van de Nederlanders; |
| 43 % | van de Vlamingen.[1] |
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be