mariner
Uiterlijk
- ma·ri·ner
mariner
- gebiedende wijs van marinere
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| mariner | mariners |
mariner
- (beroep), (scheepvaart) matroos
- (beroep), (scheepvaart) zeeman
- waarschijnlijk geleend van Italiaans marinare, afgeleid van Latijn (aqua) marina "pekel" (letterlijk "zeewater")[1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| mariner |
marinais |
mariné |
| eerste groep | volledig | |
mariner
- ↑ mariner (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.
- ma·ri·ner
mariner
- gebiedende wijs van marinere
mariner, mv
- onbepaalde vorm nominatief meervoud van marine
- ma·ri·ner
mariner
- gebiedende wijs van marinere
Categorieën:
- Woorden in het Deens
- Woorden in het Deens van lengte 7
- Werkwoordsvorm in het Deens
- Woorden in het Engels
- Woorden in het Engels van lengte 7
- Zelfstandig naamwoord in het Engels
- Beroep in het Engels
- Scheepvaart in het Engels
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 7
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Werkwoord in het Frans
- Kookkunst in het Frans
- Woorden in het Noors
- Woorden in het Noors van lengte 7
- Werkwoordsvorm in het Noors
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Noors
- Woorden in het Nynorsk
- Woorden in het Nynorsk van lengte 7
- Werkwoordsvorm in het Nynorsk