marche
Uiterlijk
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| marche | la marche | marches | les marches |
marche v
- [2] marche funèbre
| vervoeging van |
|---|
| marcher |
marche
- eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van marcher
- eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van marcher
- tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van marcher
| vervoeging van |
|---|
| marchar |
marche