Naar inhoud springen

lustreert

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lus·treert

Werkwoord

vervoeging van
lustreren

lustreert

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lustreren
    • Jij lustreert. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lustreren
    • Hij lustreert. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van lustreren
    • Lustreert!