krauw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krauw

Werkwoord

vervoeging van
krauwen

krauw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krauwen
    • Ik krauw. 
  2. gebiedende wijs van krauwen
    • Krauw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krauwen
    • Krauw je? 

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
42 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be