knok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knok

Werkwoord

vervoeging van
knokken

knok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knokken
    • Ik knok. 
  2. gebiedende wijs van knokken
    • Knok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knokken
    • Knok je? 

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.