knokken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knok·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
knokken
knokte
geknokt
zwak -t volledig

Werkwoord

knokken

  1. inergatief vechten
    • Die hooligans knokken veel te veel. 
  2. inergatief (figuurlijk) vechten
    • Je moet knokken voor je toekomst. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.