kalander
Uiterlijk


- ka·lan·der
- van Middelnederlands calander, in de betekenis van ‘mangel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1622 [1] [2] [3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kalander | kalanders |
| verkleinwoord | kalandertje | kalandertjes |
- pers met twee draaiende cilinders om weefsel, leer of papier glad en glanzend te maken
| vervoeging van |
|---|
| kalanderen |
kalander
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kalanderen
- Ik kalander.
- gebiedende wijs van kalanderen
- Kalander!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kalanderen
- Kalander je?
- Het woord kalander staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "kalander" herkend door:
| 24 % | van de Nederlanders; |
| 30 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ kalander (mangel) op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "kalander" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 24 %
- Prevalentie Vlaanderen 30 %