joelde uit
Uiterlijk
- Geluid: joelde uit (hulp, bestand)
- joel·de uit
| vervoeging van |
|---|
| uitjoelen |
joelde uit
- enkelvoud verleden tijd van uitjoelen
- Ik joelde uit.
- Jij joelde uit.
- Hij, zij, het joelde uit.
- Ik joelde uit.
- Het woord joelde uit staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.