joden
Uiterlijk
- jo·den
de joden mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord jood
- ▸ Wat misschien een beetje vreemd overkwam, omdat er door iedereen zo naar uit was gekeken, zowel door de antisemieten als door de joden zelf.[1]
- ▸ In februari 1517 schrijft hij vanuit Antwerpen een brief aan de hebraïst Wolfgang Faber Capito in Straatsburg, waarin zijn houding ten opzichte van de joden goed duidelijk wordt.[2]
- Het woord joden staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)“Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus
, ISBN 9789044625691 - ↑ Jan Bloemendal“Erasmus” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025312541
| vervoeging van |
|---|
| joder |
joden
- derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van joder
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Jiddisch-Hebreeuws in het Nederlands
- Woorden in het Spaans
- Woorden in het Spaans van lengte 5
- Werkwoordsvorm in het Spaans