ioniseerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • io·ni·seer·de

Werkwoord

vervoeging van
ioniseren

ioniseerde

  1. enkelvoud verleden tijd van ioniseren
    • Ik ioniseerde. 
    • Jij ioniseerde. 
    • Hij, zij, het ioniseerde.