inkort

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·kort

Werkwoord

vervoeging van
inkorten

inkort

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inkorten
    • ... dat ik inkort. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inkorten
    • ... dat jij inkort. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inkorten
    • ... dat hij inkort.