indiceerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·di·ceer·de

Werkwoord

vervoeging van
indiceren

indiceerde

  1. enkelvoud verleden tijd van indiceren
    • Ik indiceerde. 
    • Jij indiceerde. 
    • Hij, zij, het indiceerde.