hu

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hu
Woordherkomst en -opbouw

Tussenwerpsel

hu!

  1. uitroep van huivering door angst of kou
     Maar niet het water in, hu!, wat zou dat nat zijn geweest voor de paarden en ons, kinderen.[3]
  2. uitroep om een trekdier aan te sporen of (afhankelijk van de toon) juist te laten stoppen
     Hu, hu! paard!’ scholden straatjongens, achteraankomend, haar uit.[4]

Gangbaarheid

29 % van de Nederlanders;
14 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Middelnederlandsch Woordenboek
  3. Bronlink geraadpleegd op 16 mei 2020 Weblink bron J.M.A. Biesheuvel op Wikipedia Hooi in: Hollands Maandblad., 750 jrg. 52 nr.5 (mei 2010), Nieuw Amsterdam Uitgevers, Amsterdam, p. 3
  4. Bronlink geraadpleegd op 16 mei 2020 Weblink bron Virginie Loveling (ed. Bert Van Raemdonck) “In oorlogsnood.”, herziene editie in dbnl (2007, origineel 2004), Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie van de KANTL, Gent, p. 211
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
hu
gehuud
volledig

Werkwoord

hu

  1. huwen