hoor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoor

Tussenwerpsel

hoor

  1. ter bevestiging, ontkenning, toestemming, instemming enz. tussen of na een uitspraak of mededeling
    • Meerminnen bestaan niet echt, hoor! 

Werkwoord

vervoeging van
horen

hoor

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van horen
    • Ik hoor. 
  2. gebiedende wijs van horen
    • Hoor! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van horen
    • Hoor je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie