honneponnig
Uiterlijk
- Geluid: honneponnig (hulp, bestand)
- hon·ne·pon·nig
- In de betekenis van ‘snoezig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1935 [1]
- afgeleid van honnepon met het achtervoegsel -ig [2]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | honneponnig | honneponniger | honneponnigst |
| verbogen | honneponnige | honneponnigere | honneponnigste |
| partitief | honneponnigs | honneponnigers | - |
honneponnig [3]
- Het woord honneponnig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ "honneponnig" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ honneponnig op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 11
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Achtervoegsel -ig in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Informeel in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal