herinner
Uiterlijk
- her·in·ner
| vervoeging van |
|---|
| herinneren |
herinner
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herinneren
- Ik herinner.
- gebiedende wijs van herinneren
- Herinner!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herinneren
- Herinner je?
- ▸ Zouden de anderen dat ook hebben gemerkt? Ik vraag me af of ik er iets over moet zeggen, maar dan herinner ik mezelf eraan dat ik hier niet ben om voor anderen te zorgen.[1]
- ▸ 'Het verhaal speelt zich af in de tijd van de Provo's, herinner je je dat nog?' Ze zal toch niet denken dat ik in de jaren zestig ben opgegroeid? Zo oud zie ik er toch niet uit? Ik schat Joy een jaar of veertig.[1]
- Het woord herinner staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- 1 2 Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340