grosseerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gros·seer·de

Werkwoord

vervoeging van
grosseren

grosseerde

  1. enkelvoud verleden tijd van grosseren
    • Ik grosseerde. 
    • Jij grosseerde. 
    • Hij, zij, het grosseerde.