galopperen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ga·lop·pe·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
galopperen
galoppeerde
gegaloppeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

galopperen

  1. inergatief in galop - de snelste gang - rijden op een paard
    • De meisjes galopperen in een razende vaart op paarden over het strand. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be