enfler
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| enfler |
enflais |
enflé |
| eerste groep | volledig | |
enfler
- overgankelijk opblazen [2]; vullen met een gas
- overgankelijk opzwellen; uitdijen; in volume toenemen
- overgankelijk (figuurlijk) opblazen; overdrijven
- overgankelijk (spreektaal) bedonderen
- «J’me suis fait enfler en achetant cette bagnole, elle est bonne pour la casse!»
- Ik ben besodemieterd toen ik die auto kocht, die is rijp voor de sloop! [1]
- «J’me suis fait enfler en achetant cette bagnole, elle est bonne pour la casse!»