Naar inhoud springen

droeg

Uit WikiWoordenboek
  • droeg
vervoeging van
dragen

droeg

  1. enkelvoud verleden tijd van dragen
    • Ik droeg. 
    • Jij droeg. 
    • Hij, zij, het droeg. 
     Haar pruik lag op de grond als de pels van een dier. Ik had nooit geweten dat ze er een droeg.[1]
     Ze bleef strak naar de horizon kijken, terwijl ze de wollen muts die ze droeg om haar korte donshaar te verbergen, verder naar beneden trok.[1]
94 %van de Nederlanders;
92 %van de Vlamingen.[2]
  1. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be