deporteerde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·por·teer·de

Werkwoord

vervoeging van
deporteren

deporteerde

  1. enkelvoud verleden tijd van deporteren
    Ik deporteerde.
    Jij deporteerde.
    Hij, zij, het deporteerde.