daal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • daal

Werkwoord

vervoeging van
dalen

daal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dalen
    • Ik daal. 
  2. gebiedende wijs van dalen
    • Daal! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dalen
    • Daal je? 


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
daal
gedaal
volledig

Werkwoord

daal

  1. dalen