commuteerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·mu·teer·de

Werkwoord

vervoeging van
commuteren

commuteerde

  1. enkelvoud verleden tijd van commuteren
    • Ik commuteerde. 
    • Jij commuteerde. 
    • Hij, zij, het commuteerde.