commuteer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·mu·teer

Werkwoord

vervoeging van
commuteren

commuteer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van commuteren
    • Ik commuteer. 
  2. gebiedende wijs van commuteren
    • Commuteer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van commuteren
    • Commuteer je?