Naar inhoud springen

colle

Uit WikiWoordenboek
  • Uit het Volkslatijn *kolla, ontleend aan Oudgrieks κόλλα (kólla) plaksel.
  • [2][3][4] In de betekenis van ”(proef)toets, (prof)examen”, aangetroffen in ca. 1840. [1]
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  colle     la colle     colles     les colles  

colle v

  1. lijm, plaksel
  2. (spreektaal) strikvraag
    «Le prof de maths m'a posé une colle
    De wiskundeleraar heeft me een strikvraag gesteld. [2]
  3. (spreektaal) voor straf nablijven op school
    «Après qu'on avait fait claquer des pétards on nous a donné trois heures de colle
    Nadat we rotjes hadden gegooid, moesten we drie uur nablijven. [2]
  4. (spreektaal) (proef)toets, (proef)examen
    «Hier on a passé une colle de philo.»
    Gisteren hebben we een tentamen filosofie gemaakt. [2]
  5. (spreektaal) iets vervelends
    «Quelle colle
    Hè wat vervelend! [2]
vervoeging van
coller

colle

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van coller
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van coller
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van coller