Naar inhoud springen

buig

Uit WikiWoordenboek
  • buig
vervoeging van
buigen

buig

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buigen
    • Ik buig. 
  2. gebiedende wijs van buigen
    • Buig! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buigen
    • Buig je? 
     'Dus ik krijg geen kusje?' Ik buig zwijgend voorover, en net voordat mijn bovenlip zijn snor raakt, wend ik me af.[1]
     Ik buig me weer over de plattegrond en noteer de potentiële plekken voor de liquidatie.[2]
  1. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  2. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280

buig

  1. buigen