Naar inhoud springen

borduur

Uit WikiWoordenboek
  • bor·duur
enkelvoud meervoud
naamwoord borduur borduren
verkleinwoord borduurtje borduurtjes

deborduurm [2]

  1. geborduurd stuk stof
vervoeging van
borduren

borduur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van borduren
    • Ik borduur. 
  2. gebiedende wijs van borduren
    • Borduur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van borduren
    • Borduur je? 
98 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[3]