bootje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • [1] bo·tje
  • [2] boot·je

Zelfstandig naamwoord

bootje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord bo
  2. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord boot
Synoniemen