blaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bla·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blaken
blaakte
geblaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

blaken

  1. (inergatief)- hitte uitstralen, schijnen, branden
    De planken van den voorsteven moeten geblaakt worden.
    - Divers (duikers) bevat voor haar doen korte stukken, die toch weer blaken van ambitie in hun gelaagde structuur en poëtische diepgang. [1]
Uitdrukkingen en gezegden
  • blaken van gezondheid
er bijzonder gezond uitzien

Zelfstandig naamwoord

blaken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord blaak


Verwijzingen
  1. Jan Vollaard NRC 27 oktober 2015