bisbilles

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bis·bil·les
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bisbilles mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bisbille: geruzie, kibbelarij
    • De stationsarts liet hem begaan, mengde zich niet in de bisbilles met de broeders, met de patienten (…) [1]

Gangbaarheid

6 % van de Nederlanders;
2 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
Woordafbreking
  • bis·billes

Zelfstandig naamwoord

bisbilles mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bisbille