binominaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·no·mi·naal
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen binominaal
verbogen binominale
partitief binominaals

Bijvoeglijk naamwoord

binominaal

  1. met twee namen
    • Het binominale systeem als standaard voor de naamgeving van soorten is daarom “vergelijkbaar met het opstellen van het Periodiek Systeem der elementen door Dimitri Mendelejev of met de uitvinding van het muziekschrift”, zegt de Leidse slakkentaxonoom Edi Gittenberger. “Het systeem van Linnaeus voldoet na bijna driehonderd jaar nog steeds, en er zijn geen serieuze pogingen om een concurrerend systeem te ontwerpen.” [2] 
    • Elke zomer probeert Jansen een nieuw model te leren lopen. Zo beleeft de Animaris Bruchus (no. 39), ofwel ‘Zeerups’, de hele maand augustus zijn try-out op Scheveningen. Naar het voorbeeld van Linnaeus, de grondlegger van de binominale nomenclatuur, is het beest voorzien van een Latijnse naam. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. binominaal op website: Etymologiebank.nl
  2. NRC Sander Voormolen 26 mei 2007 Met twee woorden
  3. NRC Lisa Vos 17 augustus 2016 ‘Ik wil een nieuwe diersoort achterlaten’
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be