Naar inhoud springen

bid

Uit WikiWoordenboek
  • bid
vervoeging van
bidden

bid

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bidden
    • Ik bid. 
  2. gebiedende wijs van bidden
    • Bid! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bidden
    • Bid je? 
     bid dan toch!' Een aantal kinderen, ofschoon ze er nauwelijks ruimte voor hadden, probeerde te knielen.[1]
     Dus eerst bid ik om de vergeving van zondaars, zodat het hun allen vergeven kan worden.[2]
  1. Kruistocht in spijkerbroek” op Wikipedia (1973), Lemniscaat (uitgeverij), ISBN 9789060691670
  2. Daan Bronkhorst
    “Kierkegaard” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025313562
vervoeging
onbepaalde wijs to  bid 
he/she/it  bids 
verleden tijd  bade 
 bad 
 bid 
voltooid
deelwoord
 bidden 
onvoltooid
deelwoord
 bidding 
gebiedende wijs  bid 

[A] bid

  1. overgankelijk  bevelen ww , opdragen, sommeren
  2. overgankelijk uitnodigen

[B] bid

  1. onovergankelijk, (financieel) een  bod zn  [1] doen
  2. onovergankelijk een poging wagen
enkelvoud meervoud
bid bids

kid

  1. (financieel) aanbieding,  bod zn 
  2. poging