bezuinigde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zui·nig·de

Werkwoord

vervoeging van
bezuinigen

bezuinigde

  1. enkelvoud verleden tijd van bezuinigen
    • Ik bezuinigde. 
    • Jij bezuinigde. 
    • Hij, zij, het bezuinigde.