beweerde
Uiterlijk
- be·weer·de
| vervoeging van |
|---|
| beweren |
beweerde
- enkelvoud verleden tijd van beweren
- Ik beweerde.
- Jij beweerde.
- Hij, zij, het beweerde.
- Ik beweerde.
- ▸ Isaac beweerde graag dat Teresa het soort meisje was dat haar eigen grootmoeder nog zou verkopen.[1]
- ▸ Het was overduidelijk dat zij zich moeiteloos schikte in de rol van ‘de vrouw van’. ‘Dit soort prachtige accommodaties vind je overal ter wereld,’ beweerde haar echtgenoot stellig.[2]
- verbogen vorm van beweerd, voltooid deelwoord van beweren
- Het woord beweerde staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ “All-inclusive”
(2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht
, ISBN 90-229-9182-2