beweren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·we·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zeggen’ voor het eerst aangetroffen in 1477 [1]
  • Oorspronkelijk twee verschillende Middelnederlandse werkwoorden die zijn samengevallen. Het ene werkwoord is bewaren, "bewijzen". Het andere is afgeleid van weren met het voorvoegsel be- [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beweren
beweerde
beweerd
zwak -d volledig

Werkwoord

beweren [3]

  1. overgankelijk iets met stelligheid verklaren zonder enige bewijsgrond
    • Wil je dat nu echt beweren? 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen