bette

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bet·te

Werkwoord

vervoeging van
betten

bette

  1. enkelvoud verleden tijd van betten
    • Ik bette. 
    • Jij bette. 
    • Hij, zij, het bette. 
  2. aanvoegende wijs van betten

Meer informatie