betrad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·trad

Werkwoord

vervoeging van
betreden

betrad

  1. enkelvoud verleden tijd van betreden
    • Ik betrad. 
    • Jij betrad. 
    • Hij, zij, het betrad.