besomde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·som·de

Werkwoord

vervoeging van
besommen

besomde

  1. enkelvoud verleden tijd van besommen
    • Ik besomde. 
    • Jij besomde. 
    • Hij, zij, het besomde.