besmeerden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·smeer·den

Werkwoord

vervoeging van
besmeren

besmeerden

  1. meervoud verleden tijd van besmeren
    • Wij besmeerden. 
    • Jullie besmeerden. 
    • Zij besmeerden.