belgen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Belgen

Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
belgen balch bolgen (ghebolgen)
  volledig  

Werkwoord

belgen [1]

  1. onovergankelijk zich kwaad maken, boos worden
    • Doe balch hi harde ende onvro. 
  2. ~+genitief; ~+ omme boos worden over iets
    • Des balch die grave Aymijn. 
    • Daeromme balch dat herscap sere. 
  3. wederkerend hem ~ opzwellen van trots, zich dik maken
    • Edel man di mi dorper noemt, bellechstu di, dats sere versoemt 
  4. wederkerend hem ~ +genitief, +omme, +van boos worden over iets
    • Des hem des volcks rijcksgenoet bolghen cleyne ende groet; 
  5. wederkerend hem ~ op, hem ~ van boos worden op iemand
    • En wildi u niet belghen op mi. 
    • Dies balch hem God van Israel. 


Verwijzingen

  1. Middelnederlandsch woordenboek van Eelco Verwijs, Jacob Verdam Deel 1, 1885 M. Nijhoff