belden
Uiterlijk
- bel·den
| vervoeging van |
|---|
| bellen |
belden
- meervoud verleden tijd van bellen
- Wij belden.
- Jullie belden.
- Zij belden.
- Wij belden.
- ▸ ’ Ook dat zie je meteen voor je: mijn ouders en die van Stig, Andri en van alle anderen, die hiernaartoe reden, onafhankelijk van elkaar, en met gedeelde scepsis of enthousiasme de folders en de kavels bestudeerden, druk discussieerden en zich in de handen spuwden, een spade in de grond staken en met de bank belden om een afspraak te maken over een hypotheek.[1]
- ▸ Waarschijnlijk een hartstilstand, had de eigenaar van het hotel aan de zusjes gemeld toen ze daarstraks belden om naar Solange te informeren.[2]
- Het woord belden staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Johan Harstad“Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium (uitgeverij), ISBN 9789057598500
- ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280