begripvol

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·grip·vol
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen begripvol begripvoller begripvolst
verbogen begripvolle begripvollere begripvolste
partitief begripvols begripvollers -

Bijvoeglijk naamwoord

begripvol

  1. met veel begrip
    • De begripvolle docente hield rekening met alle redenen die de leerlingen aangaven waarom ze hun huiswerk niet gemaakt hadden. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.